Dit pakket is het zusje van pakket 5 Kruidenrijk grasland, maar wordt met name (maar niet uitsluitend) ingezet in leefgebied Dooradering. De nectar van bloeiende kruiden is voedsel voor insecten, die op hun beurt weer voedsel vormen voor diverse vogels.
Dit pakket kent ook een variant met een late en lange rustperiode, specifiek voor de Kwartelkoning. De kwartelkoning maakt, naast een aantal akkerpercelen in met name Groningen, ook regelmatig gebruik van hooilanden langs de grote rivieren.

Wat het beste moment is om te maaien, is vooraf afhankelijk van de ontwikkelingsfase van het grasland waarin het perceel zich bevindt.
Het doel van dit pakket is om ontwikkelingsfase 3 (Gras-kruidenmix) of fase 4 (Bloemrijk grasland) te realiseren. Fase 3 kenmerkt zich door 15 – 20 verschillende grassen en kruiden per 25 m2, bij fase 4 gaat het om 20 – 40 soorten. Als je dit pakket afsluit, dan moeten volgens de beheereisen op het perceel al 4 soorten aanwezig zijn uit de indicatorsoortenlijst. Als deze 4 soorten aanwezig zijn, wil dat nog niet zeggen dat het perceel de gewenste soortenrijkdom al heeft gehaald en verder vergroten van het aantal kruiden niet zinvol is.
De 2e helft van juni pas maaien, is alléén verstandig als het perceel al soortenrijk is. Als dit niet het geval is en bepaalde grassen als bijvoorbeeld witbol sterk domineren, is eerder maaien wenselijk: in de 2e helft van mei.
Op de pagina Ontwikkelen kruidenrijk(er) grasland lees je alle principes achter het vergroten van de kruidenrijkdom.
Een paar belangrijke aandachtspunten bij het maaien van graslanden ten gunste van insecten:
Percelen met 1 – 2 maaibeurten per jaar
Percelen met 3 maaibeurten per jaar
Of het nou 1 of 3 maaibeurten is: laat altijd een stuk overstaan in de winter.
Percelen met een nog hogere maaifrequentie
Randenbeheer is met name zinvol langs landschapselementen zoals houtsingels, bosjes, natuurvriendelijke oevers, en sloten. Je zorgt daarmee voor een extra zone met extensief beheer, waar veel soorten voedsel, veiligheid of zelfs een voortplantingslocatie kunnen vinden.
Het is logisch dat een boer randen het liefst aan de noordzijde van beplanting ziet: vanwege de schaduw is de gewasopbrengst hier toch al lager. Als de randen rondom het hele perceel worden afgesloten: logisch dat een deel dan in de schaduw ligt. Sluit je op slechts een deel van het perceel randenbeheer af? Doe dit dan alleen op zonnige delen. Hier ontwikkelen zich meer kruiden en insecten zitten ook graag in de zon. Oftewel: de biodiversiteitswaarde van de rand is hier veel groter.
Wanneer de gewenste gewasproductie (5-7 ton droge stof per hectare per jaar) is bereikt, is instandhoudingsbemesting zinvol. Daarmee voorkom je dat de droge stof opbrengst per jaar té laag wordt en de kruidenrijkdom onbedoeld weer afneemt. Dit speelt met name op zandgronden.
Jaarlijks bemesten is niet verstandig, maar eens per 3 jaar bemesten met 10 ton vaste mest per hectare wel. Deze mestgift gaat verzuring van de bodem tegen. Bekalken in het najaar voorkomt ook verzuring van de bodem. Kies dan een traag werkende kalksoort, zodat de bodem niet in één keer een grote schok te verwerken krijgt.